Midden- en Zuid-Europa het hoogste van de jonge ketengebergten in Europa. Dit gebergte begint bij Genua, aan de kust van de Ligurische Zee. Daar gaat het over in de bergketen van de Apennijnen. De Alpen lopen in een boog met een lengte van 1200 km en een breedte van 135-250 km tot aan Wenen en Triëst, waar zij zich voortzetten in respectievelijk de Karpaten en de Dinarische Alpen. Behalve in de eigenlijke Alpenlanden (Oostenrijk, Zwitserland en Lichtenstein), komen de Alpen ook voor in Frankrijk, Duitsland, Joegoslavië en Italië. Over de Alpen loopt de hoofdwaterscheiding tussen de rivieren die in de Noordzee uitmonden, en de rivieren die zuidwaarts naar de Middellandse Zee stromen. De gemiddelde hoogte van de bergtoppen is 3500-4200 m in het westen, en 2500-3600 m in het oosten. Het hoogste punt, de Mont-Blanc (4807 m), ligt precies in het smalste gedeelte van de Alpen. De Mont-Blanc domineert de westelijke Alpen. De grens met de wat lagere oostelijke Alpen loopt van het Bodenmeer over het Rijndal naar het Comomeer. De oostelijke Alpen bestaan uit over elkaar geschoven dekbladen. De geologische structuur is hier relatief eenvoudig. Een centrale zone van graniet, gneis en andere kristallijnen gesteenten grenst in het noorden en in het zuiden aan kalksteenzones. In het westelijke Alpengebied heeft de Alpiene plooiingsfase veel gecompliceerdere structuren opgeleverd. Hier zijn de dekbladen op veel plaatsen in elkaar geschoven. Het huidige beeld van de Alpen, met rotsachtige bergkammen, diepe dalen en grote tongbekkens, is het gevolg van de vergletsjering tijdens het Kwartair, toen dit gebergte door een minstens zes keer zo grote ijskap was bedekt als thans. In de periode na de ijstijden verschrompelden de ijsmassas tot enkele gletsjers. Thans omvat de gehele vergletsjerde oppervlakte van de Alpen 3200 km2. De Alpen vormen een duidelijke scheiding voor weertypen en klimaatzones. Zo kan het stromen van de regen aan de zuidkant van de Alpen wanneer de föhn uit zuidelijke richting waait, terwijl het dan aan de noordkant uitgesproken warm, zonnig en droog is. Meestal is de verhouding van de weersgesteldheid precies omgekeerd. Hiervan getuigen de mediterrane flora aan de zuidkant en de moerassige veengebieden aan de noordkant van de Alpen.