China

Na eeuwen van isolement en tientallen jaren van interne strijd, streeft dit gigantische land nu naar de ontwikkeling van zijn achtergebleven economie. Slechts een enkeling hechtte geloof aan de verhalen van de koopman en ontdekkingsreiziger Marco Polo, toen deze in 1295 uit hel legendarische China in Venetië terugkeerde. Hij beweerde dat hij een land had bezocht dat rijker en hoger ontwikkeld was dan zijn vaderland. Hij sprak de waarheid. De Chinese cultuur is een van de oudste ter wereld reeds in 1700 v. Chr., onder de Chang-dynastie, konden de Chinezen bijvoorbeeld porselein en bronzen wapens maken, beheersten zij de kunst van het schrijven, en hadden zij al een hele reeks grote steden gesticht. En al rond 600 v. Chr. beschouwden zij zich als een uitverkoren volk, onder een keizer die de Zoon des Hemels was. De Chinezen noemden hun land het Rijk van het Midden. Voor hen was China het centrum van de wereld. Eeuwenlang heeft de Chinese Muur, die zich over een totale lengte van 6250 km uitstrekt van de kust ten oosten van Beijing (Peking) tot in de woestijnen van Binnen-Mongolië, de Mongoolse barbaren uit het noorden op een afstand gehouden. Zelfs vandaag de dag, nu dit langste bouwwerk ter wereld een toeristische attractie is geworden, heeft het Chinese volk een gevoel van trotse afzondering en terughoudendheid. De Chinezen zijn beslist niet het volk van eenheidsmensen in blauwe uniformen zoals dit door westerse waarnemers ten tijde van de Culturele Revolutie werd beschreven. Binnen dit op twee na grootste land ter wereld heersen immense tegenstellingen in het landschap, in de bevolking en in levenswijze. Hoewel China officieel een atheïstische staat is, wonen er miljoenen moslims en christenen, naast aanhangers van inheemse religies als het boeddhisme, het confucianisme en het taoïsme. De bevolking, waarvan hel aantal niet lang geleden de. 1 miljard heeft overschreden, bestaat behalve uit 93% Han-Chinezen nog uit 55 officieel erkende minderheden, waaronder Mongolen, Tibetanen, Kazachis, Oejgoeren, Zhuangs, Yis en Miaos. Zij hebben allen hun eigen taal. Ook kent het Chinees talloze dialecten, die sterk van elkaar kunnen afwijken. Wel wordt steeds hetzelfde schrift gebruikt. Het land kan globaal in vier grote, duidelijk van elkaar onderscheiden gebieden worden verdeeld: eerst in een westelijk en een oostelijk gebied, en deze kunnen elk weer in een noordelijk en een zuidelijk deel worden onderverdeeld. Het westen van China beslaat bijna de helft van de oppervlakte van het land, maar het is zo onherbergzaam dat er slechts 5% van de bevolking woont, die voornamelijk tot de minderheden behoort. In het noorden strekken de steppen en woestijnen van Xinjiang (Sin-kiang) zich uit tot in het aangrenzende Mongolië en het Centraalaziatische deel van de Sowjetunie. De bewoners, islamitische nomadenvolken zoals Oejgoeren, Kazachis en Tadjikis, leven er van de veeteelt. Aan de rand van de woestijn Takla-Makan liggen langs de oude zijderoute enkele oasen. De islamitische bevolking is er van Turkse afkomst. In het zuidwesten ligt een van de meest ontoegankelijke berggebieden van de wereld, Xizang (Tibet). Het bestaat uit steenachtige hoogvlakten en besneeuwde bergtoppen; veel ervan zijn hoger dan 6000 m. De Tibetanen hebben een eigen cultuur, die vooral geworteld is in het lamaïsme, een vorm van boeddhisme. Het oosten van China wordt door een geografische scheidingslijn in een noordelijk en een zuidelijk deel gesplitst. Deze grens loopt van het Qinlingebergte in de buurt van de stad Xian langs de Huai He naar de kust. In het noorden heerst een nogal onherbergzaam landklimaat. In de zomer stijgen de temperaturen er regelmatig tot ver boven de 30°C en s winters zakt de thermometer vaak lot onder de -20°C. Nergens zijn deze uitersten onbehaaglijker dan in de hoofdstad Beijing, waar in de zomermaanden een drukkende hitte heerst, terwijl er in de winter en het voorjaar een ijskoude noordelijke wind staat, die alles met een dikke laag geelachtig stof (loss) bedekt. De bevolkingsdichtheid is het grootst in de riviervlakten in het noorden van China, die zich uitstrekken aan weerszijden van de Huang He (de Gele Rivier), een reusachtige bedijkte rivier. Hier wonen op een oppervlakte ter grootte van Frankrijk 250 miljoen mensen, vijfmaal zoveel als in dit land. De zomer is er te kort om rijst ie verbouwen; tarwe is het belangrijkste landbouwgewas. Daarnaast verbouwt men er ook katoen, aardnoten en maïs. Terwijl de overheersende kleur van het noordelijke landschap het geelachtig bruin is van de loss, is die van het zuiden een sappig groen. Overal wordt hel land daar doorsneden door rivieren, beekjes en kanalen. Dit is het China zoals men het zich over het algemeen voorstelt - een land met rijstvelden, waterbuffels en boeren met breedgerande hoeden. Rijst is het voornaamste produkt van het zuiden, maar door de gunstige combinatie van een warm klimaat en een vruchtbare bodem kunnen er ook veel andere gewassen worden verbouwd, zoals thee, suikerriet, groente en citrusvruchten. In tegenstelling tot het koelere noorden, waar slechts eenmaal per jaar, of hooguit driemaal in twee jaren geoogst kan worden, levert het zuiden twee, drie, of zelfs vier oogsten per jaar. In de kunstmatig bevloeide laagvlakte van de Chang Jiang (Jang-tse Kiang) en in de warme en vochtige delta van de Zhujiang liggen twee van de grootste steden van China: Shanghai en Guangzhou (Kanton). Karakteristiek voor dit deel van China zijn echter niet deze miljoenensteden, maar de talloze dorpen met hun zorgvuldig onderhouden akkers. Boeren en hun gezinnen maken hier namelijk meer dan twee derde van de bevolking uit.