Denemarken

Het land van de eens zo geduchte Vikingen is thans een vredelievende landbouw- en industriestaat. Denemarken is een van de kleinste landen van Europa - niet veel groter dan Nederland of België - maar was in de middeleeuwen, van de 9e tot de 12e eeuw het centrum van een machtig rijk. Van hieruit hebben de Vikingen - ook bekend als Noormannen -de Britse eilanden en Ierland veroverd, en verre rooftochten ondernomen naar Italië, Spanje, Portugal, de kusten van Noord-Afrika en de binnenlanden van Rusland. Onder koning Knut de Grote (1016-1035) beleefde dit Deense Vikingenrijk het toppunt van zijn bloei. Tot 1618 behoorde het zuiden van Zweden bij het Deense koninkrijk, en tot in de tweede helft van de 19e eeuw ook thans Duitse gebieden, zoals Sleeswijk-Holstein. IJsland verkreeg zijn onafhankelijkheid pas in 1944. Tol op heden maken de Faeroer en Groenland, het grootste eiland ter wereld, deel uit van Denemarken, hoewel ze vrijwel volledig zelfbestuur hebben gekregen. Denemarken, dat een brug vormt tussen Midden- en Noord-Europa, bestaat uit het grote schiereiland Jutland en een archipel van 406 eilanden, waarvan er echter slechts 90 bewoond zijn. Het is een vlak land, de hoogste heuvel reikt niet verder dan 173 m boven het zeeoppervlak. In Denemarken is men nooit meer dan 50 km verwijderd van de zee. De kustlijn heeft een totale lengte van 7300 km. Al 10.000 jaar geleden, voor het einde van de laatste ijstijd, moet dit gebied bewoond zijn geweest. Er zijn veel werktuigen en wapens uit de steentijd gevonden. In 1950 werd bij Tollund in Jutland het in het veen volledig gemummificeerde lijk van een man ontdekt, die meer dan 2000 jaar geleden gestorven was. De landbouw in dit land van vriendelijke dorpjes en groene weiden is hoog ontwikkeld. Wanneer de stenen eruit verwijderd zijn en zoals de gewoonte is, rond de velden tot muurtjes zijn opgestapeld, is de bodem heel vruchtbaar. Ook het klimaat is gunstig voor de landbouw: lange koudeperioden zijn even zeldzaam als langdurige droogte of hittegolven. In Jutland, het vasteland van Denemarken, vindt men langs de Noordzee brede stranden, die de langste zijn van Europa. Beschutte baaien ontbreken hier. Er moesten dus kunstmatige havens worden aangelegd, zoals Esbjerg in het zuiden en Hanstholm in het noorden. Achter de duinenrij strekken zich oorspronkelijk met heide begroeide zandvlakten uit, die in de ijstijden zijn afgezet door smeltwaterstromen. Daartussen liggen grotendeels ontgonnen hoogveengebieden. Er zijn dennen en sparren aangeplant om de landbouwgrond legen de harde westenwind te beschermen. De jonge naaldbomen worden ook als kerstbomen geëxporteerd. Het oosten van Jutland bestaat uit een heuvelachtig grondmorenelandschap met een vruchtbare keileembodem. Hier wordt intensieve akkerbouw bedreven, die vooral tarwe oplevert. Op steile hellingen zijn nog beukenbossen te vinden. De kust wordt hier onderbroken door diepe inhammen, die goede natuurlijke havens vormen. Ten oosten van Jutland liggen de Deense eilanden. Het op een na grootste, Funen (Fyn), is door een brug met het vasteland verbonden. Dit eiland wordt de tuin van Denemarken genoemd wegens de lieflijke, bloemenrijke dorpjes met huizen in pastelkleuren. In de stad Odense werd de beroemde sprookjesschrijver Hans Christian Andersen (1805-1875) geboren. In de omgeving wordt veel kastuinbouw bedreven. Verder oostelijk, aan de overzijde van de Grote Belt, ligt het eiland Sjoel-land (Seeland). Van daaruit worden veerdiensten onderhouden naar zowel de naburige eilanden als naar Jutland en Zweden. Er bestaan plannen voor bruggen naar Funen en het zuiden van Zweden. Het meest geïsoleerde eiland van Denemarken is Bornholm. Landschappelijk sluit dit rotsachtige eiland aan bij het zuiden van Zweden. Hier speelt hel toerisme een belangrijke rol; Bornholm wordt wel het Mallorca van de Oostzee genoemd. Het eiland Mon is kleiner, maar wordt bijna even druk bezocht. Een bijzondere trekpleister vormen de steile, 143 m hoge krijtrotsen aan de oostkust van Mon.