Afghanistan

Een onherbergzaam bergland, dat van oudsher het toneel is van gewapende conflicten. Dit land heeft zijn onafhankelijkheid voortdurend moeten bevechten. Machtige bergketens doorkruisen en omgeven Afghanistan. De Khyberpas, die de verbinding vormt met India en de Sovjetunie, is door de eeuwen heen een belangrijke toegangspoort geweest ook voor vijandelijke troepen, die dit Centraal Aziatische land wilden overweldigen. Steeds weer is Afghanistan in oorlogen verwikkeld geraakt. De Perzische heerser Darius 1 (522-.. 486 v. Chr. ), Alexander de Grote (356-323 v. Chr. ), de Hunnen, de Tataren onder Djingiz Khan (1162-1227 n. Chr. ) en Tamerlan (1336-1405) - zij allen hebben dit land overweldigd en geteisterd. De Britten vochten drie keer om het bezit van de Khyberpas. Als laatste kwamen de Sovjettroepen met Kerstmis 1979. Zij stelden een regering aan, die Moskou welgezind was. Tal van trotse Afghanen, die volgens traditie met het geweer opgroeien, sloten zich aaneen in verzetsgroepen en begonnen een verbeten guerrilla tegen de indringers. Hun verzet leidde er toe dat in mei 1988 het Geneefse Afghanistan-akkoord in werking trad, en het 140.000 man sterke bezettingsleger zich terugtrok. Met een oppervlakte van rond 650. 000 km2 is Afghanistan bijna 20 maal zo groot als Nederland of België. Na de inval van de Sovjettroepen vluchtte ongeveer een derde van de 18 miljoen inwoners de grens over, voornamelijk naar Pakistan. Nog eens 2 miljoen Afghanen hadden een heenkomen gezocht in de hoofdstad Kabul en in andere grotere plaatsen, die daardoor overvol raakten. Afghanistan bestaat uit een woest en grillig berglandschap met afgelegen groene dalen en kleine dorpjes met lemen hutten. Slechts een klein gedeelte van het land ligt lager dan 1200 m. Sommige gebieden zijn nauwelijks in kaart gebracht. De bergketen van de Hindu Kush loopt als een enorme barrière door het land. De Hindu Kush, met zijn steile, in het oosten tot 7700 m reikende toppen, doet denken aan een maanlandschap. De vruchtbaarste gebieden liggen in hel noorden, in de laagvlakte van de Amoe Darja, die een meer dan 960 km lange grens met de Sovjetunie vormt. Het zuiden en zuidwesten bestaan voornamelijk uit bijna onbewoonde steppen en woestijnen. In Afghanistan heerst een extreem landklimaat. In de zomer stijgen de temperaturen in het zuiden tot 49°C en in de winter dalen zij in de bergen tot — 26°C. De temperatuurverschillen kunnen in één dag tot 30°C oplopen. Het zuidwesten wordt in de zomer vaak door zware zandstormen geteisterd. De weinige neerslag valt bijna uitsluitend in het voorjaar. Afghanistan behoort tot de armste landen ter wereld. Slechts een achtste van het land is geschikt voor de akkerbouw. Toch leeft 80% van de bevolking van de landbouw. Ongeveer 2,5 miljoen Afghanen trekken als nomaden met hun schapen en geiten door het land. De grootste bevolkingsgroep (60%) wordt gevormd door de Pasjtanen. Zij beschouwen zichzelf als de echte Afghanen. De lijst van de overige bevolkingsgroepen laat zich lezen als een opsomming van de legers die dit land ooit zijn binnengedrongen: Tadzjicken, Oezbeken. Mongoolse Hesarehs, Noeristanis, Baluchis-Unis, Perzen en Kirgiezen. Een bonte mengeling van rassen en talen is de erfenis van het roerige verleden. Stammen tegenstellingen hebben van Afghanistan een van oudsher moeilijk bestuurbaar land gemaakt. Elke groep verdedigt hardnekkig haar vrijheden en stelt zich slechts tegenstribbelend onder het gezag van ongeacht welke centrale regering. Ook de verzetsgroepen zijn onderling verdeeld. Tot nu toe is het geen enkele regering gelukt onder de bevolking wal meer saamhorigheidsgevoel te kweken. Het einde van de strijd tussen de regeringen de belangrijkste verzetsbeweging, de Moedjahedin, is nog bij lange na niet in zicht. Tot 1978, toen de democratische grondwet door een staatsgreep buiten werking werd gesteld, vermeed de Afghaanse regering elke eenzijdige politieke binding met het Oosten of het Westen. Een weerspiegeling van deze onafhankelijke politiek is de 1600 km lange weg die zich door de bergen kronkelt van Herat in hel zuidwesten via Kandahar naar Kabul in het noorden. Deze weg is gedeeltelijk door de Amerikanen en gedeeltelijk door de Russen aangelegd. Hel onderhoud was in handen van de Chinezen.
Afghanistan bestaat als politieke eenheid sinds 1747. In dat jaar bracht een stamhoofd, Ahmad Sjah, het grootste deel van het land onder zijn heerschappij. Gedurende bijna de hele 19e eeuw stond Afghanistan vanuit het noorden onder druk van het tsaristische Rusland. Bovendien bedreigden de Britten het land vanuit hun in het oosten aangrenzende kolonie India. De Britten verdachten de Afghaanse regering ervan de Russen te bevoordelen. Dit leidde lot de eerste oorlog tussen Afghanistan en Groot-Brittannië (1839-1842), die door de Britten werd verloren. Ook in de tweede oorlog (1878-1879) moesten zij het onderspit delven. In 1880 vielen de Britten echter opnieuw aan en toen dwongen zij Afghanistan een verdrag af, dat hun het bezit van de Khyberpas verzekerde. Het land raakte toen onder Britse invloed. Het behield echter een verregaande mate van onafhankelijkheid, omdat de Afghanen op een handige manier de Russen en de Britten tegen elkaar wisten uit te spelen. In 1919 drong de toenmalige koning Aman Ullah mei zijn troepen India binnen, omdat de Britten geen gehoor gaven aan zijn eis tot volledige onafhankelijkheid. Opnieuw brak er een oorlog uit tussen Afghanistan en Groot-Brittannië. Na enkele maanden werd deze oorlog beëindigd met het verdrag van Rawalpindi. In dit verdrag werd de volledige onafhankelijkheid van Afghanistan definitief vastgelegd. In 1973 werd de Afghaanse koning door middel van een niet bloedige staatsgreep Afghanistan van de troon gestoten In Afghanistan werd de republiek uitgeroepen. De heerschappij van de eerste president. Mohammed Daoud Khan, duurde maar kort: in 1978 werd hij vermoord. De politieke macht kwam in handen van een revolutionaire raad: Mohammed Taraki werd het nieuwe staatshoofd. In september 1979 werd hij reeds vervangen door Hafizullah Amin. Vooral de plattelandsbevolking en de religieuze leiders verzetten zich steeds feller tegen het nieuwe regime, dat allerlei hervormingen in petto had. Amin zag in dat zijn gezag ernstig in gevaar was, en riep de Sovjetunie te hulp. Op 27 december 1979 overschreden Sovjettroepen de grens met Afghanistan. Het gehate staatshoofd Amin werd vervangen door Babrak Karmal. Deze bleef tot mei 1986 aan de macht en werd toen opgevolgd door de secretaris-generaal van de Democratische Volkspartij, Mohammed Nadzjibullah. Sinds de Russische inval is het land verdeeld in sympathisanten van de hervormingsgezinde regering, en aanhangers van de verzetsbewegingen, vooral de Moedjahedin. Voor de Russen werd Afghanistan een steeds hachelijker avontuur, dat sterk deed denken aan wat de Amerikanen met Vietnam hebben moeten doormaken. Tegen de guerrilla in Afghanistan waren de Russen niet opgewassen. In grote delen van het land heerste hongersnood als gevolg van de onmiskenbaar zinloze oorlog, die talloze mensenlevens kostte en steeds meer geld verslond. In gunstige tijden hebben de Afghanen altijd genoeg voedingsmiddelen voor eigen gebruik kunnen verbouwen. Tarwe, maïs, rijst, vruchten, katoen, groenten, suikerriet, oliehoudende planten en peulvruchten gedijen er op vruchtbare irrigatiegebieden. De perziken en wijndruiven van Kandahar zijn in de wijde omtrek bekend. Een belangrijke bron van inkomsten is de veeteelt. Nomaden trekken door het land met hun kamelen, runderen, schapen en geiten. Het karakoel- of persianer lam levert huiden voor de in het Westen bekende Afghaanse jassen. Voor de binnenlandse bevolking speelt het vetstaartschaap een belangrijke rol. Het staartvet van dit schaap is een zeer gewaardeerd voedingsmiddel, dat in plaats van boter wordt gebruikt. De industrie is nog weinig ontwikkeld. Alleen de textiel- en de cementindustrie en de productie van voedingsmiddelen zijn van enig belang. Afghanistan beschikt over steenkoolreserves en over aanzienlijke ertsvoorraden. De exploitatie strandt echter tot op heden op de ontoegankelijkheid van de vindplaatsen. Gemakkelijk te benutten zijn daarentegen de aardgasreserves in het noorden van het land. Deze brandstof wordt uitsluitend naar de Sovjet-Unie uitgevoerd. De meeste Afghanen leiden een hard en eenvoudig leven. Sommige bergstammen zijn maandenlang geïsoleerd door de sneeuwval. Andere stammen trekken rond van dorp tot dorp, steeds maar op zoek naar beter land. De herders mogen er romantisch uitzien, met hun geweren, tulbanden en afgedragen kleren, ze kunnen met moeite een armzalig bestaan bijeen scharrelen, en als het land door droogte wordt geteisterd, lijden ze honger. 99% van de Afghanen is moslim. Het openbare leven concentreert zich in de moskeeën en bazaars. Het onderwijs is nog primitief: op het platteland wordt alleen koranonderricht gegeven door de mullahs, de religieuze leiders. De maatschappij is streng patriarchaal. Buiten de steden mogen de vrouwen buitenshuis niet ongesluierd verschijnen. Zij bekleden vrijwel nooit bestuursfuncties. Rijst, platte broden, schapenvlees en (wanneer verkrijgbaar) ook fruit vormen het hoofdmenu van de Afghanen. Daarbij wordt groene thee met veel suiker gedronken. In het theehuis ontmoeten vrienden elkaar voor een gesprek, en vreemdelingen worden er onthaald. Zelfs de armste Afghanen zijn zeer gastvrij. Buitenlanders worden soms in verlegenheid gebracht wanneer hun de beste stukken van het karige gezinsmaal worden toebedeeld.

< Terug