Afghanistan
Afghanistan bestaat als politieke eenheid sinds 1747. In dat jaar bracht een stamhoofd, Ahmad Sjah, het grootste deel van het land onder zijn heerschappij. Gedurende bijna de hele 19e eeuw stond Afghanistan vanuit het noorden onder druk van het tsaristische Rusland. Bovendien bedreigden de Britten het land vanuit hun in het oosten aangrenzende kolonie India. De Britten verdachten de Afghaanse regering ervan de Russen te bevoordelen. Dit leidde lot de eerste oorlog tussen Afghanistan en Groot-Brittannië (1839-1842), die door de Britten werd verloren. Ook in de tweede oorlog (1878-1879) moesten zij het onderspit delven. In 1880 vielen de Britten echter opnieuw aan en toen dwongen zij Afghanistan een verdrag af, dat hun het bezit van de Khyberpas verzekerde. Het land raakte toen onder Britse invloed. Het behield echter een verregaande mate van onafhankelijkheid, omdat de Afghanen op een handige manier de Russen en de Britten tegen elkaar wisten uit te spelen. In 1919 drong de toenmalige koning Aman Ullah mei zijn troepen India binnen, omdat de Britten geen gehoor gaven aan zijn eis tot volledige onafhankelijkheid. Opnieuw brak er een oorlog uit tussen Afghanistan en Groot-Brittannië. Na enkele maanden werd deze oorlog beëindigd met het verdrag van Rawalpindi. In dit verdrag werd de volledige onafhankelijkheid van Afghanistan definitief vastgelegd. In 1973 werd de Afghaanse koning door middel van een niet bloedige staatsgreep Afghanistan van de troon gestoten In Afghanistan werd de republiek uitgeroepen. De heerschappij van de eerste president. Mohammed Daoud Khan, duurde maar kort: in 1978 werd hij vermoord. De politieke macht kwam in handen van een revolutionaire raad: Mohammed Taraki werd het nieuwe staatshoofd. In september 1979 werd hij reeds vervangen door Hafizullah Amin. Vooral de plattelandsbevolking en de religieuze leiders verzetten zich steeds feller tegen het nieuwe regime, dat allerlei hervormingen in petto had. Amin zag in dat zijn gezag ernstig in gevaar was, en riep de Sovjetunie te hulp. Op 27 december 1979 overschreden Sovjettroepen de grens met Afghanistan. Het gehate staatshoofd Amin werd vervangen door Babrak Karmal. Deze bleef tot mei 1986 aan de macht en werd toen opgevolgd door de secretaris-generaal van de Democratische Volkspartij, Mohammed Nadzjibullah. Sinds de Russische inval is het land verdeeld in sympathisanten van de hervormingsgezinde regering, en aanhangers van de verzetsbewegingen, vooral de Moedjahedin. Voor de Russen werd Afghanistan een steeds hachelijker avontuur, dat sterk deed denken aan wat de Amerikanen met Vietnam hebben moeten doormaken. Tegen de guerrilla in Afghanistan waren de Russen niet opgewassen. In grote delen van het land heerste hongersnood als gevolg van de onmiskenbaar zinloze oorlog, die talloze mensenlevens kostte en steeds meer geld verslond. In gunstige tijden hebben de Afghanen altijd genoeg voedingsmiddelen voor eigen gebruik kunnen verbouwen. Tarwe, maïs, rijst, vruchten, katoen, groenten, suikerriet, oliehoudende planten en peulvruchten gedijen er op vruchtbare irrigatiegebieden. De perziken en wijndruiven van Kandahar zijn in de wijde omtrek bekend. Een belangrijke bron van inkomsten is de veeteelt. Nomaden trekken door het land met hun kamelen, runderen, schapen en geiten. Het karakoel- of persianer lam levert huiden voor de in het Westen bekende Afghaanse jassen. Voor de binnenlandse bevolking speelt het vetstaartschaap een belangrijke rol. Het staartvet van dit schaap is een zeer gewaardeerd voedingsmiddel, dat in plaats van boter wordt gebruikt. De industrie is nog weinig ontwikkeld. Alleen de textiel- en de cementindustrie en de productie van voedingsmiddelen zijn van enig belang. Afghanistan beschikt over steenkoolreserves en over aanzienlijke ertsvoorraden. De exploitatie strandt echter tot op heden op de ontoegankelijkheid van de vindplaatsen. Gemakkelijk te benutten zijn daarentegen de aardgasreserves in het noorden van het land. Deze brandstof wordt uitsluitend naar de Sovjet-Unie uitgevoerd. De meeste Afghanen leiden een hard en eenvoudig leven. Sommige bergstammen zijn maandenlang geïsoleerd door de sneeuwval. Andere stammen trekken rond van dorp tot dorp, steeds maar op zoek naar beter land. De herders mogen er romantisch uitzien, met hun geweren, tulbanden en afgedragen kleren, ze kunnen met moeite een armzalig bestaan bijeen scharrelen, en als het land door droogte wordt geteisterd, lijden ze honger. 99% van de Afghanen is moslim. Het openbare leven concentreert zich in de moskeeën en bazaars. Het onderwijs is nog primitief: op het platteland wordt alleen koranonderricht gegeven door de mullahs, de religieuze leiders. De maatschappij is streng patriarchaal. Buiten de steden mogen de vrouwen buitenshuis niet ongesluierd verschijnen. Zij bekleden vrijwel nooit bestuursfuncties. Rijst, platte broden, schapenvlees en (wanneer verkrijgbaar) ook fruit vormen het hoofdmenu van de Afghanen. Daarbij wordt groene thee met veel suiker gedronken. In het theehuis ontmoeten vrienden elkaar voor een gesprek, en vreemdelingen worden er onthaald. Zelfs de armste Afghanen zijn zeer gastvrij. Buitenlanders worden soms in verlegenheid gebracht wanneer hun de beste stukken van het karige gezinsmaal worden toebedeeld.
< Terug