Bangla Desh
dien trekken er telkens weer wervelstormen uit de Golf van Bengalen over het land. Deze richten zware schade aan en eisen talloze mensenlevens. In 1991 bijvoorbeeld, kostte een verschrikkelijke springvloed 200.000 mensen het leven. De meeste huizen staan op vlonders, die met palen in het zachte slijk zijn verankerd. De Brahmaputra treedt af en toe zo snel buiten haar oevers, dat hele dorpen in een nacht weggespoeld worden. De waterspiegel kan dan wel meer dan 6 m stijgen. Overvloedige regens bij hoge temperaturen maken op dit drassige, vruchtbare land twee tot drie oogsten per jaar mogelijk. Met behulp van bevloeiingssystemen zouden in de lange droge periode van november tot maart ook nog oogsten mogelijk zijn. De energie die nodig is om de pompen daarvoor aan te drijven, ontbreekt echter. In de 18e eeuw werd Bangla Desh wereldberoemd om zijn goede kwaliteit katoen, waarvan fijne mousselines geweven werden. Inmiddels heeft het land zich helemaal toegelegd op de aanplant van jute (Corchorus). een unieke vezel waarvan Bangla Desh samen met India het wereld-monopolie heeft. De jute wordt verbouwd door kleine boeren, die voor het overige slechts rijst voor eigen gebruik verbouwen. De verwerking van jute is buitengewoon kostbaar. Alleen de buitenste vezels zijn geschikt voor het maken van louw en grove weefsels. Ze worden van de bast losgeweekt door middel van een rottingsproces. De houtachtige stengels worden gebruikt als brandstof, en voor het vlechten van omheiningen. De jonge groene bladeren eet men als groente. Bamboe, dat in de bossen groeit, wordt voor allerlei doeleinden toegepast. Hel loof van dit goedkope, maar stevige materiaal dient als veevoer, de stengels dienen als bouwmateriaal en brandstof. Vaardige ambachtslieden maken van de bamboestammen ook ploegen, en stelen voor werktuigen. Van gespleten bamboe worden wanden gevlochten en visnetten vervaardigd. Een gewaardeerde grondstof is ook de koemest. Men gebruikt dit als mest- en brandstof en bovendien om er dorsvloeren van te stampen. Een gewone vloer van gedroogde modder zou opzwellen en zich met het graan vermengen. Daarom wordt hij bedekt met een mengsel van slijk en mest. Als deze laag droog is. vormt het mengsel een harde, glanzende slijtlaag. Het onkruid uil de velden wordt gebruikt als voer voor de koeien. Vroeger voerde men de koeien rijststro, maar de nieuw gekweekte rijstsoorten met hoge opbrengst hebben kortere halmen en leveren aanzienlijk minder stro op. Naar taal, cultuur en geografie vormen Bangla Desh en de Indiase staat West-Bengalen een eenheid. Ooit maakte Bengalen deel uit van het Indiase Guptarijk, maar in de 13e eeuw kwam het onder islamitische heersers, wat tot 1740 voortduurde. Nadien behoorde het tot Brits-Indië. Toen India en Pakistan in 1947 bij hun onafhankelijkheid uiteengingen, is Bengalen definitief verdeeld geraakt. Het oostelijke, islamitische deel kwam aan Pakistan, West-Bengalen met de gigantische stad Calcutta kwam aan India. De verbintenis tussen West- en Oost-Pakistan was slechts van korte duur. West-Pakistan heerste met volstrekte willekeur over het oostelijke aanhangsel. Zo kreeg Oost-Pakistan nauwelijks iets te zien van zijn opbrengsten uit de jute-export. Alleen de islam hield de beide delen van het land bijeen. Vooral de gedwongen invoering van het Urdu als de officiële taal, die gepaard ging met het verbod om in het openbaar Bengaals te spreken, heeft in het toenmalige Oost-Pakistan kwaad bloed gezet. Het streven naar autonomie werd geleid door sheik Mudjibur Rahman. Bij de parlementsverkiezingen van 1970 won zijn Awami-liga in Oost-Pakistan de meeste zetels. De volkspartij, die door Zulfikar Ali Bhutto werd geleid, won in het westen. De twee politieke leiders konden het niet eens worden over de grondwet, waarop in 1971 in Oost-Pakislan een opstand uitbrak. Deze werd door het leger neergeslagen; meer dan een miljoen mensen kwamen hierbij om het leven. Enkele miljoenen vluchtten over de grens naar India. Daarop marcheerden Indiase troepen Oost-Pakistan binnen en drongen de Pakistaanse strijdkrachten terug. Sheik Mudjibur Rahman werd de leider van de nieuwe onafhankelijke staat Bangla Desh. In 1975 werd hij vermoord en sindsdien zijn er verschillende regeringswisselingen geweest. Van de bevolking woont 80% in dorpen op het platteland. Iets minder dan de helft van alle mensen is jonger dan 15 jaar - het land krijgt elk jaar 3,2 miljoen mensen extra te voeden, en is alleen al daardoor aangewezen op buitenlandse hulp. Ook de toestand in het onderwijs lijkt hopeloos: 74% van de bevolking is analfabeet. De economische ontwikkeling van het land wordt onder meer belemmerd door een volkomen ontoereikend verkeersnet. Slechts enkele steden zijn bereikbaar over de weg of per spoor; meer dan 60% van het goederenvervoer vindt plaats over water. Het land is niet bepaald rijk aan bodemschatten. De enige noemenswaardige zijn aardgas en aardolie, die pas sinds kort kunnen worden geëxploiteerd. In heel Bangla Desh heerst armoede - in de steden zowel als op het platteland. De hoofdstad Dhaka wordt sinds de onafhankelijkheid in 1971 nagenoeg overstroomd door mensen die het platteland ontvluchten. Zij leven onder zeer zware omstandigheden. Sommigen werken als riksjarijder, anderen worden straatventers en handelen in voorwerpen die elders in de vuilnisbak verdwijnen. Wie niets te koop heeft aan te bieden, wie blind of kreupel is, moet uit bedelen gaan. Veel mensen keren hun land de rug toe en zoeken vooral in de rijke olielanden van het Midden-Oosten werk. Het leven in Bangla Desh wordt nog altijd beheerst door een kleine stadselite, die zich bedient van een zeer traag werkende bureaucratie. Niettemin zijn er in de laatste tijd ontwikkelingsprogrammas voor het land gekomen, zijn met buitenlandse hulp irrigatiesystemen aangelegd en wordt de aanplant van nieuwe rijstsoorten beproefd. Of de economische situatie ooit ingrijpend zal verbeteren, hangt echter niet alleen van de ontwikkelingsplannen af, maar in hoge mate van de vraag, of de ongeremde bevolkingsgroei door een doeltreffende geboortenbeperking een halt kan worden toegeroepen.
< Terug