Wat eens de schatkamer van het Spaanse wereldrijk was, is nu niet meer dan een armenhuis. Het record-infiatiepercentage en het meedogenloze optreden van de georganiseerde drugsmafia bezorgen Bolivia van tijd tot tijd vette krantekoppen. In veel Latijnsamerikaanse landen heerst armoede, maar die is nergens zo ernstig als in dit land. Ondanks zijn rijke bodemschatten is Bolivia een van de meest achtergebleven landen van het Zuidamerikaanse continent. Dit is onder meer het gevolg van twee oorlogen, waarbij het land grote gebieden heeft verloren en politiek uit zijn evenwicht is geraakt. De Indianen in het Andesgebergte, die meer dan 50% van de bevolking uitmaken, leven in lemen hutten met strooien daken en verbouwen net genoeg levensmiddelen - vooral maïs en aardappelen -voor hun eigen gezin. Bijna niemand heeft onderwijs genoten; de meesten kunnen lezen noch schrijven. Hun belangrijkste bron van inkomsten was lange tijd het werk in de tinmijnen. Thans verkeren deze mijnen echter in grote moeilijkheden, doordat de prijzen van tin op de wereldmarkt sterk zijn gedaald. Veel mijnen zijn gesloten; de merendeels Indiaanse arbeiders werden massaal ontslagen. De Spaanse conquistadores, die in de 16e eeuw dit gebied veroverden, namen veel Indianen hun land af, waarna dezen als slaven in de zilvermijnen moesten werken. Pas in 1825 maakte Simón Bolivar het land onafhankelijk van Spanje. Als dank noemden de Bolivianen hun land naar deze vrijheidsheld. De nieuwe machthebbers raakten echter verwikkeld in conflicten met de buurlanden. Van 1879-1883 woedde de zogenoemde salpeteroorlog met Chili. Bolivia verloor een deel van zijn gebied, inclusief dat waar de waardevolle salpeter gedolven wordt, en de toegang tot de Grote Oceaan. Een nog groter gebied, bijna het hele Chaco-district, werd door de oorlog van 1932-1935 met Paraguay verspeeld. Het schrijnendst is de armoede in het westen van het land, waar de helft van de bevolking op de Altiplano leeft, een hoogvlakte op ongeveer 3700 m tussen twee bergruggen van de Andes. Hierleiden de Aymara-indianen hun kommervol bestaan. Ten oosten van de Andes strekken zich immense laagvlakten uit. Ze beslaan 70% van het land, maar worden door slechts 20% van de bevolking bewoond. De uitgestrekte regenwouden in het noorden leveren hout, maniok en tropische vruchten op. Het zuiden daarentegen bestaat uit dun beboste savannen met grote graslanden, waarop reusachtige kudden halfwilde runderen grazen. Hier liggen ook de aardolie- en aardgasvelden van het land. Tussen de Altiplano en de laagvlakten loopt de oostelijke bergketen van de Andes. Daar doorheen lopen vruchtbare, diep ingesneden dwarsdalen, de yungas. Op de lager gelegen yungas kweekt men suikerriet, tabak en cacao; maar ook coca, uit de bladeren waarvan cocaïne gewonnen wordt. Dit is inmiddels een lucratief, maar illegaal exportprodukt geworden. Men vermoedt dat de inkomsten uit de cocaïnehandel even groot zijn als die uit de export van tin, aardgas en aardolie, zilver en zink tezamen.