Gambia

Naar Afrikaanse begrippen is dit land een dwergstaatje en daarbij nog een van de armste landen van het zwarte continent. Op de kaart gezien, boort Gambia zich bij wijze van spreken vanaf de Afrikaanse westkust als een lange, gekromde vinger landinwaarts. Aan de kust is dit landje nog 48 km breed, maar het versmalt zich geleidelijk tot 24 km; in totaal is het 320 km lang. Daarbij wordt het over de gehele lengte door de rivier de Gambia nog eens in tweeën gedeeld, en wel zeer ingrijpend. Niet één brug verbindt de oevers met elkaar. Het noorden en zuiden van het land zijn dus van elkaar afgesneden. Slechts op twee plaatsen wordt een veerdienst onderhouden. Gambia is een voormalige Britse kolonie, die op de korte kuststrook na geheel wordt omringd door de vroegere Franse kolonie Senegal. Deze situatie is een gevolg van de koloniale concurrentie tussen de Britten en de Fransen, die in de 17e eeuw begon. Deze beide mogendheden (maar ook bijvoorbeeld de Nederlanders) trachtten aan de Afrikaanse kust zoveel mogelijk steunpunten voor hun handel te verwerven. In de buurt van het huidige Gambia hadden de Fransen duidelijk de overhand. De Engelsen zagen slechts kans zich in 1664 te vestigen op het eiland James, vlak voor de monding van de Gambia, en maakten daarbij ook aanspraak op de smalle strook landinwaarts langs de rivier. In die dagen lokten goederen als ivoor, ebbehout, goud en niet te vergeten slaven de Europese handelaren. Als ruilmiddelen brachten zij zout, ijzer, vuurwapens en buskruit mee. Fort James werd de centrale verzamelplaats voor de slaven die in de 18e eeuw door de Engelsen naar Amerika werden verscheept. Dit duurde voort tot in 1807 de slavenhandel door de Britten werd afgeschaft.

Eeuwenlang is Gambia een fel omstreden gebied geweest. Van tijd tot tijd onder-
namen zeerovers er plundertochten, en de Fransen hebben tot zes maal toe getracht het de Britten afhandig te maken. Om aan het geharrewar een einde te maken, sneden plaatselijke stamhoofden van tijd tot tijd alle toevoerwegen af. De Engelsen wisten zich echter drie eeuwen lang te handhaven op hun belangrijke handelspost met het strookje achterland. In 1888 kreeg Gambia de status van kolonie. In tegenstelling tot de Fransen lieten de Engelsen de inheemse samenleving vrijwel intact. In 1963 kreeg Gambia intern zelfbestuur en twee jaar later de volledige onafhankelijkheid. De regering van de nieuwe staat koos van het begin af voor nauwe betrekkingen met Senegal. Het kwam echter niet tot een volledig samengaan van beide staten. De culturele verschillen, die tijdens de koloniale overheersing waren gegroeid, bleken te groot. Gambia is veruit het armste van de twee landen. In de hoofdstad Banjul, die op een zandig eiland in de monding van de rivier de Gambia ligt, woont de meerderheid van de bevolking dicht opeen gepakt in barakken van golfplaat. De hygiënische omstandigheden schieten volkomen tekort; meestal is een openbare kraan op straat de enige waterbron. De voorsteden Cape Saint Mary en Fajara staan daarmee in scherp contrast. Het is duidelijk, dat hier ooit de Engelse bestuurders hebben gewoond. Langs de brede lanen bevinden zich tegenwoordig de keurig onderhouden overheidsgebouwen, ambassades en diplomatenwoningen.

Overal stoot men nog op overblijfselen uit de Britse tijd, van het ooit zo sjieke cricketveld tot de sierkanonnen die rond het stadscentrum staan opgesteld. Ook het leger van Gambia is nog naar Brits model georganiseerd en geüniformeerd. Dit zijn slechts uiterlijke herinneringen aan vroeger tijden. Vandaag de dag komen de Engelsen voornamelijk als toeristen naar het land. Op het witte, door palmbomen omzoomde zandstrand zijn enkele luxueuze hotels gebouwd. Het klimaat is ook voor toeristen uit Europa goed te verdragen; alleen in het binnenland kan het soms wat al te warm zijn, vooral wanneer de harmattan, een beruchte woestijnwind uit de Sahara, actief is. De rivier de Gambia is de levensader van het land. Zij levert behalve het water voor de bevloeiing van de rijstakkers ook vis en dit is een belangrijk voedsel voor de bevolking. Elk jaar wordt er 700 ton aan vis gevangen. De visserij langs de kust, die zeer intensief bedreven wordt, levert nog aanzienlijk meer op. De bevolking behoort tot diverse stammen van de Sudannegers. De Mandingos vormen met 40% de grootste bevolkings-
groep. Evenals de meeste Gambianen leven zij doorgaans van de zelfvoorzienende landbouw, waarbij vooral maïs, rijst, mamok en groenten worden verbouwd. Wie genoeg land bezit, plant bovendien aardnoten om te verkopen. De landbouw is de laatste jaren door perioden van droogte en overbeweiding steeds verder achteruit gegaan. Daardoor komt er in de economische situatie van de bevolking nauwelijks verbetering. Aardnoten vormen het belangrijkste exportprodukt van het land. Ze leveren 85% van de inkomsten uit de handel met het buitenland. De omvang van de oogst kan niet precies worden vastgesteld, want zodra de prijzen in Gambia hoger zijn dan die in het buurland Senegal, worden er aardnoten binnengesmokkeld. Grenspa-trouilles hebben daar een zware taak aan, want de grenzen van Gambia lopen dwars door de woongebieden van de verschillende bevolkingsgroepen; ook in Senegal leven Mandingos, Fulbes, Wolofsen Dioulas. De regering van Gambia streeft naar een uitbreiding van de irrigatiewerken en moedigt de verbouw van andere akker-bouwprodukten sterk aan om de afhankelijkheid van het land van één enkel agrarisch produkt zoveel mogelijk te verminderen. Vooral de rijst- en katoenbouw worden gestimuleerd. Door de economische problemen zien veel Gambianen zich genoodzaakt hun land te verlaten. Traditioneel zoeken zij dan hun heil in Engeland en maar al te dikwijls tevergeefs. Wat hun regering ook onderneemt, de toekomstperspectieven blijven somber. Gambia bezit geen bodemschatten. Het kan slechts zijn hoop stellen op het toerisme; de ontwikkeling in deze richting komt slechts langzaam op gang. Het land vormt vooralsnog een wat al te duur en exclusief reisdoel.

< Terug