Ghana
Ghana is rijk aan natuurschoon en bezienswaardigheden. Alleen al de kusten langs de Golf van Guinee zijn betoverend mooi. met hun witte, door palmen omzoomde zandstranden, afgewisseld door stille, azuurblauwe lagunen. In hun ranke, kunstig versierde boomslamkanos, vaak toegerust met buitenboordmotor, gaan de kustbewoners op de visvangst. Hele stammen leven van deze tak van bedrijvigheid. Een deel van de vangst wordt gedroogd en ingezouten. Het zout wordt in ondiepe poelen gewonnen door verdamping van het zeewater. Het zwoele, warme klimaat aan de kust wordt af en toe getemperd door de droge harmaltan, de woestijnwind die in december en januari vanuit het noorden waait. De kuststrook, waar sinds lang akkerbouw wordt bedreven, gaat naar het noorden toe over in altijd groene regenwouden. Deze oerwouden met hun rijkdom aan exotische planten en dieren veranderen verder noordwaarts, waar het klimaat droger wordt, in lichtere bossen met bomen die in de droge tijd hun loof verliezen. Daar, in het Ash-antigebergte, leven de boeren, die kleine stukken land ontginnen door ze plat te branden. Vervolgens bebouwen zij de vruchtbare grond net zo lang tot deze volkomen uitgeput is. Dit is al na enkele oogsten het geval. Daarna laten ze de grond liggen en gaan verderop een nieuw stuk grond plat branden en bebouwen. Deze traditionele vorm van akkerbouw is inmiddels sterk teruggedrongen door de grote plantages, die vooral cacaobonen en palmolie produceren. Cacao omvat 60% van de export en is verreweg het belangrijkste produkt van Ghana. Niettemin zijn de opbrengsten ernstig teruggelopen, doordat de prijzen op de wereldmarkt sterk gedaald zijn.
De vochtige savannebossen gaan in het noorden over in de droge savanne van het Voltabekken. Dit is het leefgebied van de antilopen, buffels, olifanten, leeuwen en ander Afrikaans groot wild. Hoe verder men naar het noorden komt. des te schaarser wordt de begroeiing. Daar staan nog wat eenzame olienootbomen, uil de vruchten waarvan een kostbaar vet gewonnen wordt, en machtige apebrood-bomen (baobab), die in hun dikke stammen water opslaan voor droge tijden. De noten en de hars van deze bomen worden door de plaatselijke bevolking geoogst en verkocht. In grote gebieden zijn overigens bijna alle bomen gekapt voor brandhout. Op zoek naar voedsel trekken grote kudden runderen, schapen en geiten door de stoffige vlakte. De wind neemt de blootgelegde aarde mee en zo verdort het landschap steeds meer een gevaarlijk gevolg van de overbeweiding. Een essentiële belemmering voor de economische ontwikkeling van het land vormen de nog volkomen ontoereikende transportmogelijkheden. Zo wordt het toch betrekkelijk nieuwe wegennet verwaarloosd; de weinige autowegen verkeren over het algemeen in een erbarmelijke toestand. Niet zelden stagneert daardoor het transport van de cacaooogst uit verschillende streken. Net als in tal van andere ontwikkelingslanden bezwijken ook in Ghana de meeste plattelandsbewoners voor de verlokkingen van de stad. Vooral de kuststeden breiden zich snel uit. Daar treft men vlak naast elkaar armoede en rijkdom aan. Overal stuit men nog op de architectonische getuigen van het koloniale verleden: huizen van twee verdiepingen met een brede veranda ervoor. Daarnaast schieten moderne torenflats als paddestoelen uit de grond. Vooral de hoofdstad Accra is door de onbeteugelde groei omringd geraakt door een schier onafzienbare massa armoedige hutten. De steden in het binnenland hebben hun Afrikaanse karakter beter kunnen bewaren. Een voorbeeld daarvan is Kumasi, dat ooit het centrum van het Ashantirijk was.
< Terug