Guyana

Een dun bevolkt land, dat door onoverbrugbare tegenstellingen tussen de verschillende bevolkingsgroepen in grote moeilijkheden is geraakt. Toen de Spanjaarden grote delen van Zuid-Amerika in bezit namen, toonden zij weinig of geen belangstelling voor het tropische bosgebied in de noordoosthoek - goud zou er wel niet te vinden zijn. Nederlanders, Fransen en Engelsen zagen echter wel wat in het vestigen van handelsposten in dit gebied, en later in het aanleggen van plantages. In 1816 hebben deze koloniale machten hel hele gebied definitief onder elkaar verdeeld. Hel westelijke deel, het tegenwoordige Guyana, werd Engels; het middelste Nederlands (het huidige Suriname) en het oosten (Guyenne) werd Frans.

Economisch en cultureel raakte Brils-Guyana nauw verbonden met de eilanden van Brits West-Indië. Dit leidde tot moeilijkheden nadat het in 1966 een onafhankelijke republiek was geworden. De steunpilaren van de economie zijn de rijke voorraden bauxiet, verder de suikerrietplantages en de rijstvelden. Een groot deel van het land is nog nooit betreden en zou nog wel meer waardevolle bodemschatten kunnen bevatten. Achter het laagland langs de kust, dat naar Nederlands voorbeeld (en merendeels ook door Nederlanders) is ingepolderd, en een daarop volgende strook savanne, strekken zich in het binnenland gigantische tropische regenwouden uit. Ze overdekken de hier en daar steile hellingen van het Hoogland van Guyana. De regenwouden en de waterrijke rivieren zouden edelhout, goud, diamant en energie kunnen leveren. Toch woont en werkt nog steeds 90% van de bevolking in de smalle kuststrook. Hier strekt zich het in cultuur gebrachte land uit, dat met behulp van slaven is ontworsteld aan de getijden en de moerasbossen: hier zijn zowel de grote suikerrietplantages als de rijstvelden van de merendeels uit het voormalige Brits-Indië afkomstige kleine boeren.

De eerste slaven zijn in de 17e eeuw door Nederlanders (merendeels Zeeuwen) uit Afrika naar het land gehaald. De afstammelingen van deze slaven, de Creolen, vormen een van de zes groepen waaruit de bonte mengeling van de Guyaanse bevolking is samengesteld. Na de afschaffing van de slavernij in 1834 ontstond er een gebrek aan arbeidskrachten op de plantages. Daarop werden buitenlanders aangetrokken, met als gevolg een jarenlange, schier onafgebroken stroom Indiërs, Chinezen en Portugezen. De Indiërs vormen nu met een aandeel van meer dan 50% de grootste bevolkingsgroep. De meesten werken op de suikerrietplantages en bewerken daarbij als kleine boeren eigen rijstvelden. De op een de grootste bevolkingsgroep vormen de mulatten, afstammelingen van Europeanen en negerslaven. Een kleine bevolkingsgroep vormen de afstammelingen van Europese kolonisten. Van de Indianen, de oorspronkelijke bewoners van dit gebied, zijn er naar schatting nog slechts 30.000 over.

De conflicten tussen de verschillende bevolkingsgroepen hebben een diepe kloof in de samenleving teweeggebracht. Naar Engels voorbeeld kent het land een tweepartijensysteem. De partij van de Creolen, het Nationale Volkscongres, is reeds sinds 1964 aan de macht, en de Progressieve Volkspartij van de Indische bevolkingsgroep voert sindsdien een verbeten oppositie. Het feit dat de Indiërs er als numeriek grootste bevolkingsgroep maar niet in kunnen slagen de verkiezingen te winnen, heeft de rassenproblemen aangescherpt en tot economische problemen geleid. Tegengestelde belangen tussen de Indiërs, die vooral de handel beheersen, en de Creolen die het staatsapparaat beheersen, leiden dikwijls tot een gewelddadig treffen.
De grote bauxietondernemingen zijn reeds in 1971 genationaliseerd; in 1975 heeft de overheid ook de suikerindustrie overgenomen.


< Terug