Kameroen

Dankzij de aardolie heeft dit in alle opzichten veelzijdige land zeker mogelijkheden voor een toekomstige ontwikkeling. In Afrika zijn maar weinig landen waar de traditionele cultuur en de moderne beschaving zo dicht naast elkaar bestaan als in Kameroen. Op het platteland wordt nog op grote schaal voedsel geofferd aan de voorouders, en het gebruik van fetisjen van hout, leem of klei is in heel Kameroen als vanouds wijd verspreid onder de bevolking. Tegelijkertijd worden in de supermarkten van de steden uitgelezen delicatessen verkocht, die uit het buitenland worden geïmporteerd - hoewel het land voldoende levensmiddelen produceert om de eigen bevolking te kunnen voeden. Kameroen profiteert van een redelijke welvaart.

Het land is een waar mozaïek van de meest uiteenlopende landschapstypen. De smalle strook die de verbinding vormt met het Tsjaadmeer krijgt zo weinig neerslag, dat veeteelt er de enige inkomstenbron vormt. Dit geldt ook voor het gebied onmiddellijk ten zuiden hiervan, dat deel uitmaakt van de door droogte geplaagde Sahel. Langs het Mandara-gebergte, en verder naar het zuiden tegen de vulkanische rotspieken van het bergland van Adamawa, gaat de steppe over in grassavanne. Aan de zuidelijke flanken van dit gebergte neemt de neerslag verder toe: bij Mount Cameroon valt zelfs meer dan 10.000 mm regen per jaar. Hier strekken zich dampende regenwouden uit, onderbroken door welvarende plantages die koffie, cacao, bananen en tropisch hardhout leveren.

De bevolking van het land bestaat uit een bonte mengeling van meer dan 130 etnische groepen. Zo zijn er de veehoudende Fulbes in het noorden, die evenals de Kirdis tot de Sudannegers behoren. In het zuiden wonen de Bamilekes, en diep in het regenwoud komen groepen pygmeeën voor. De grootste taalgroep wordt gevormd door de ongeveer 150 Bantustammen in het zuiden: sommige bestaan uit nog geen 100 leden, maar elke groep spreekt een eigen dialect. De Portugezen waren de eerste Europeanen die in de 15e eeuw in het land kwamen om zich te verrijken. Tot in de 19e eeuw trokken ook Spanjaarden, Fransen, Engelsen en Nederlanders naar Kameroen om er slaven te halen. Het land werd in 1884 een Duitse kolonie, maar na de Eerste Wereldoorlog droeg de Volkenbond het grootste deel ervan als mandaatgebied over aan Frankrijk. Engeland kreeg een smalle strook in het westen. Pas in 1960 werd het oostelijke deel de onafhankelijke republiek Kameroen. Een jaar later besloot het noordelijke deel van het Britse mandaatgebied zich aan te sluiten bij Nigeria: het zuidelijke deel kwam bij Kameroen.

Twee derde van de bevolking leeft van de kleinschalige landbouw. In het zuiden worden maïs en groente voor eigen ge-bruik verbouwd en verkopen de boeren voortbrengselen van het tropisch regenwoud, zoals rubber en hardhout. De ontwikkeling van een eigen industrie is zeker mogelijk. Kameroen beschikt over delfstoffen, zoals aardolie, aardgas en bauxiet, maar de ontginning en de benodigde infrastructuur bevinden zich nog in het beginstadium.

< Terug