Kongo

De vondst van aardolie heeft de onderontwikkelde economie van deze Afrikaanse republiek een krachtige impuls gegeven. De eerste jaren van de republiek Kongo, onafhankelijk al sinds 1960 en voordien een Franse kolonie, werden overschaduwd door hevige politieke beroering. Staatsgrepen, contrarevoluties en politieke moorden waren aan de orde van de dag. In 1968 was Kongo het eerste land in Afrika, dat een
volksrepubliek naar Chinees en Oosteuropees model werd. In 1989 is deze aanduiding afgeschaft. De communistische ideologie werd er overigens al op een zeer pragmatische wijze toegepast, getuige bijvoorbeeld de exploitatie van de aard-olievooraden door buitenlandse ondernemingen. Bovendien zijn de bindingen van Kongo met Frankrijk altijd sterker geweest dan met de Sowjetunie of China. Pas toen de Kongolezen in 1979 hun vierde grondwet sinds de onafhankelijkheid bekrachtigden, brak er voor het land een politiek rustiger, en vooral een economisch succesvollere periode aan.

De oliebronnen voor de kust gingen steeds meer winst opleveren. Thans zorgen ze voor 90% van de deviezen van het land, maar de daling van de olieprijzen in de jaren 80 heeft ook aanzienlijke economische problemen meegebracht. Nadat Kongo in 1880 door Frankrijk in bezit werd genomen, was dit het armste gebied van Frans Equatoriaal Afrika. Slechts een klein deel van het land is bruikbaar voor de landbouw, en dit deel wordt dan nog voortdurend kleiner. Eenmaal van de oorspronkelijke vegetatie ontdaan,
blijft de bodem slechts korte tijd vruchtbaar: door de zware tropische regens spoelt de dunne humuslaag weg en worden de voedingsstoffen uitgeloogd. Niettemin leeft nog ongeveer twee derde van de bevolking als vanouds van de landbouw: voor eigen gebruik worden er tropische gewassen zoals maniok, bakbananen en zoete aardappelen verbouwd. Koffie, cacao en suikerriet, de belangrijke handelsprodukten, worden op coöperatieve of staatsplantages verbouwd.

Achter de kustvlakte van Kongo, dat aan weerszijden van de evenaar ligt, rijzen beboste bergketens op, doorsneden door diepe dalen. Daarachter liggen uitgestrekte hoogvlakten, die deels door savanne worden ingenomen. Het noorden van het land behoort tot het Kongobekken, een reusachtige moerassige laagvlakte waar talrijke rivieren doorheen lopen. Grote delen van dit dun bevolkte gebied zijn bedekt met dichte oerwouden. De tropische wouden leveren nog een belangrijk exportartikel: hout, zoals het kostbare hardhout limba en het zachtere okoumé. De heersende elite staat sterk afwijzend tegenover de traditionele Kongolese cultuur, die allerlei zeer uiteenlopende natuurgodsdiensten, rituele dansen, volksgeneeskunde en volkskunst omvat. De door de Franse cultuur beïnvloede bovenlaag wordt gevormd door jonge officieren, ambtenaren en politici. In de Kongolese natie zijn twee bevolkingsgroepen verenigd: Bantus en pygmeeën. Laatsgenoemden leven in de moeilijk toegankelijke wouden in het noorden. De Bantus vormen ongeveer 90% van de bevolking.

< Terug