Kuweit

Dit schatrijke oliestaatje moet zich wijden aan het herstel van de schade die het heeft opgelopen na de inval door Irak. Het kleine Kuweit heeft tot het begin van 1991 maandenlang in het brandpunt van de belangstelling gestaan wegens de inval die het grote buurland Irak op 2 augustus 1990 pleegde. Zeven maanden lang heeft het Kuweit bezet gehouden. De militairen van de lraakse leider Saddam Hoessein richtten er een schade aan, die op 200 miljard us werd geraamd. Alle 950 oliebronnen stonden bijvoorbeeld in brand toen Kuweit werd bevrijd door een internationale troepenmacht onder Amerikaanse leiding. Dit gebeurde op grond van resoluties die vrijwel unaniem waren aanvaard door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Irak was tot de inval overgegaan omdat het aanspraak maakte op Kuweit. De formele aanleiding vormde een grensgeschil: Kuweit zou olie hebben gewonnen, die Irak rechtens toebehoorde.

Kuweit had zich als klein woestijnlandje dankzij de olierijkdom kunnen ontwikkelen tot een verzorgingsstaat die vrijwel uniek was in de wereld. Onder de verlichte alleenheerschappij van de emir werd een politiek gevoerd, die de eigen bevolking ten goede kwam: alle inkomsten uit de olie-export zijn gebruikt voor het welzijn van de burgers. Gemeten naar het inkomen per hoofd van de bevolking was Kuweit een van de welvarendste landen ter wereld. Alleen de inwoners waarvan de familie sinds 1920 in Kuweit is gevestigd, gelden echter als staatsburgers van het land en dat is de minderheid. Ongeveer 58% van de bevolking bestaat uit buitenlandse werknemers, in hoofdzaak Palestijnen, Pakistanen, Indiërs en lraniërs. Zij kunnen maar ten dele profiteren van de sociale voordelen.

Kuweit is ongeveer half zo groot als Nederland of België en beslaat uit een eentonige zandwoestijn. De gelijknamige hoofdstad is voortgekomen uit een nederzetting van de Anaizahs, een bedoeïenenstam die in de 18e eeuw vanuit de Arabische woestijn hierheen trok. Nog steeds wordt het land geregeerd door de familie Al-Sabah, die in 1756 aan de macht kwam. In de 19e eeuw kreeg Groot-Brittannië vaste voet aan de grond in Kuweit en in 1899 werd het land een Brits protectoraat. In 1961 kreeg het zijn onafhankelijkheid.

Na zijn bevrijding in 1991 moest de kleine oliestaat zich gaan wijden aan de wederopbouw. Ook voor de inval werd er echter op een ongekend grote schaal gebouwd. Behalve uitgebreide woonwijken waren er raffinaderijen en een reusachtige LPG-fabriek verrezen: voorts scholen, ziekenhuizen, regeringsgebouwen, hotels en ontziltingsinstallaties. Voordat in 1938 met de eerste vondsten hel olietijdperk aanbrak, waren parels en kamelenhuiden de enige exportprodukten. Intussen is gebleken dat Kuweit een van de omvangrijkste oliereserves ter wereld bezit. Toch willen de emir en zijn raadgevers de ontwikkeling van het land niet alleen op de export van ruwe olie baseren. Daarom wordt er sinds het midden van de jaren 70 gewerkt aan de opbouw van een eigen industrie. Zo zijn er olieraffinaderijen van de grond gekomen, maar ook bijvoorbeeld assemblagebedrijven voor de autoindustrie, een scheepswerf en een kunstmestfabriek. Bovendien is een deel van de deviezen uit de olieexport gebruikt om aanzienlijke belangen te verwerven in buitenlandse ondernemingen: zo is Kuweit ook verzekerd van andere bronnen van inkomsten.

De hoeveelheid neerslag die er jaarlijks in het land valt, komt overeen met die van een forse Europese regenbui. Daardoor blijft landbouw beperkt tot de weinige oasen waar bevloeiing mogelijk is. Van de oude stad Kuweit was al voordat de Irakezen er huishielden niet veel meer over. Het stadsbeeld wordt bepaald door brede straten en moderne kantoorgebouwen. De vroegere stadspoorten waren was bij de modernisering bewaard gebleven, evenals de vele islamitische kunstschatten die men in musea kan (of kon) bewonderen. In de bazaars vindt men eerder de massaprodukten van de westerse industrie dan bet traditionele handwerk.

< Terug