Libië

Deze woestijnstaat streeft naar een nationale identiteit en naar internationale invloed, ook buiten de Arabische wereld. Sinds hij in 1969 aan het hoofd kwam te staan van de volksrepubliek Libië heeft kolonel Moammar Gaddafi de wereld keer op keer op allerlei manieren geprovoceerd. Zijn land is rijk aan olie en kan zich dus veel veroorloven. Het is lid van de opec, de organisatie van olie exporterende landen, die in de jaren 70 tot grote verhogingen van de olieprijs besloot en daarmee de economie van de westerse landen voor grote problemen stelde. Gaddafi heeft met de oliedollars Libië ingrijpend gemoderniseerd volgens zijn Arabisch-socialistische inzichten. Hij gebruikt het geld ook om deze inzichten elders in de wereld uit te dragen en doet dit vooral door steun te geven aan terroristische groeperingen, om het even of het nu de plo is van de Palestijnen, de eta van de Basken in Spanje of de ira van de Ieren in Groot-Brittannië. Toen de Verenigde Sta¬ten ervan overtuigd waren dat Gaddafi het internationale terrorisme steunde en het initiatief had genomen voor een hele reeks gewelddadige acties, bombardeerden zij in 1986 een aantal doelen waar zich vermoedelijk terroristen schuilhielden.

Tot 1958, toen de rijke olievoorraden werden ontdekt, behoorde Libië tot de armste landen in de wereld. Thans echter is het inkomen per hoofd van de bevolking er het hoogste van alle Afrikaanse staten. De export van Libië bestaat voor 99% uit olie en olieprodukten. Kolonel Gaddafi, die in 1969 met een militaire staatsgreep de monarchie ten val bracht, heeft de inkomsten uit de olie aanvankelijk vooral geïnvesteerd in de ontwikkeling van de Libische economie en industrie. De politieke, militaire en terroristische activiteiten over de hele wereld kwamen pas zo'n tien jaar later.

Grote delen van Libië behoren tot de Sahara. Afgezien van de oasen, waar dadelpalmen groeien, kennen alleen het noordwesten (het oude Tripolitanië) en Cyrenaica in het noordoosten begroeiing. De natuurlijke vegetatie bestaat hier uit mediterrane struiken en bomen, zoals pijnbomen, cypressen, acacias, johannes-broodbomen en wilde olijfbomen. In deze vruchtbare gebieden, waar gewoonlijk alleen s winters wat regen valt, woont 90% van de totale bevolking. Libië getroost zich grote inspanningen om het landbouwareaal uit te breiden. In de woestijn zijn enorme voorraden grondwater aangeboord, dat wordt gebruikt om 20.000 ha nieuwe landbouwgrond te bevloeien. Vooral wintertarwe, gierst en espartogras, dat als veevoer dient, worden hier verbouwd. Door het verbod op alcohol zijn de wijnbouw en de wijnproduktie, door de Italianen ingevoerd, sterk teruggelopen. De veeteelt is van groot belang. Er worden ongeveer 6 miljoen schapen, geiten en runderen gehouden en Libië exporteert leer, huiden en pelzen.

Aardolie is de belangrijkste economische factor en zal dit voorlopig ook blijven. Libië bezit de rijkste olievoorraden van Afrika: ze liggen op ongeveer 200 km ten zuiden van de Grote Syrte en in de grindwoestijn Sarir Kalansjio, op ongeveer 550 km ten zuiden van de oliehaven Tobruk. Per jaar wordt ongeveer 50 miljoen ton hoogwaardige olie gewonnen en voornamelijk naar de landen van de EG uitgevoerd. Reeds in het begin van de jaren 70 werden de eerste raffinaderijen gebouwd, Later kwamen ook LPG-fabrieken van de grond en verder een hoogovencomplex (bij Misurata) en verscheidene chemische bedrijven, cement-, textiel- en papierfabrieken. Hoewel de aangetoonde aardoliereserves bij een gelijk blijvende produktie nog voldoende zijn voor 60 jaar, neemt Libië hiermee al voorzorgen voor de tijd daarna en maakt het land zich op sommige gebieden onafhankelijk van de invoer van industrieprodukten.

< Terug